De restauratie van de 60 grafkelders wordt uitgevoerd door een team van specialisten. Jeroen Hoebink is namens de firma Van Milt als restaurateur bij dit project betrokken. Voor dit artikel interviewen wij hem over zijn werk.

“18 grafkelders zijn tussen 1859-1864 gebouwd door Gerrit Meerdink. Zijn broer Herman Meerdink bouwde daarna tussen 1867-1889 nog 20 grafkelders. Wie de andere kelders heeft gebouwd, hebben we (nog) niet kunnen vinden in het archief.”

Op het eerste gezicht zien alle grafkelders er hetzelfde uit. Maar niets is minder waar. Jeroen Hoebink, restaurateur van Van Milt vertelt: “Als je de steen van de grafkelder verwijdert, zie je juist heel goed allerlei verschillen.”

“De eerste 22 kelders zijn hetzelfde gebouwd, maar niet door de gebroeders Meerdink. Bij die grafkelders zijn de muren anderhalf-steens met een anderhalf-steens rollaag erbovenop. De togen van de dubbele kelders zijn gemetseld, daar zijn ze laag begonnen en boven de togen is er geen metselwerk meer gezet. Pas bij de bovenste laag zijn er twee, drie lagen metselwerk met een rollaagje en daaronder zand.

Toen we de rollaag loshaalden, zat er geen metselwerk meer onder. Daardoor konden de wortels er ook doorheen groeien. Het zand is bij de restauratie allemaal weggehaald en we hebben er nu wel metselwerk in gezet om de wortels tegen te houden. Doordat het niet opgemetseld was, drukten de wortels alles kapot. Ze drukten tegen de rollagen en het straatwerk wat daarin is gezet. En daardoor ook tegen de goten die daar weer op lagen. Op de goten ligt de grafsteen. Door de druk van de wortels drukken de goten weer tegen de grafsteen aan die daar bovenop ligt. Daardoor zijn er veel grafstenen gaan scheuren/barsten. Alles gaat kapot.”

“Bij de volgende rij, werden halverwege die rij de grafkelders opeens met steens-muren gemaakt, dat was een verandering. Gerrit Meerdink heeft 18 graven gebouwd en ik ben vanaf de verandering gaan tellen. Vanaf de 22ste grafkelder, waren de graven dus opeens anders. Daar waren de buitenmuren smaller en dat was bij de volgende 18 grafkelders het geval. Daarna werden ze weer anders. Herman Meerdink heeft na zijn broer Gerrit 20 grafkelders gebouwd. Dat zijn dus de laatste 20.

Bij die bouw waren de kelders ook weer anders. Het onderste gedeelte van de muur is een-steens en bij de laatste vier lagen zijn ze overgegaan naar anderhalf steens met anderhalf steens rollagen. Aan de buitenkant lijkt dus alsof ze hetzelfde zijn als de eerste 22 kelders, maar aan het binnenwerk is te zien dat dit niet zo is.

Ook deze kelders waren heel erg kapot. Dat komt puur omdat er aan de buitenkant maar een paar lagen metselwerk onder zitten. Als daar druk op komt, dan komt er beweging in. Het metselwerk lag daaronder helemaal los, er groeiden allemaal wortels. Die wortels doen het tegenovergestelde. Die worden groter en groeien en gaan dus drukken. En mensen die daar via de paden overheen lopen, drukken alles weer naar beneden. Daardoor zijn die rollagen ook allemaal gebroken en is het metselwerk ook heel slecht.”

“En het grappige is ook, dat je kunt zien dat bij de eerste grafkelders een kalkmortel was gebruikt. Het ouderwetse materiaal, zeg maar. Maar bij de grafkelders die later gebouwd zijn – en waar na de eerste overledene volgende personen zijn bijgezet, waardoor de graven weer open zijn geweest – zag je dat er verschillende soorten cement zijn gebruikt. Door het verschil in gebruik van kalkmortel of cement kun je afleiden welke kelders het eerst zijn gebouwd.”

“We hebben toevallig net een grafsteen gelicht, waarvan de laatste bijzetting in 1941 was. In 1907 is de ENCI fabriek gekomen in Maastricht. Na de Eerste Wereldoorlog werd er meer cement gebruikt na de Tweede Wereldoorlog nog veel meer. Cement is veel harder dan kalk. Bij de eerder gebouwde kelders is allemaal kalkmortel gebruikt. Kalk kan werken en cement werkt niet. Als cement gaat werken dan scheurt het en de scheuren worden ook alleen maar groter.”

“Je zag ook dat er grafkelders vaker geopend waren. Er zaten meerdere soorten specie onder de steen, er zat een laagje kalk, een laagje cement en er zat nog een ander laagje cement, wel drie laagjes op elkaar. Aan de binnenkanten van die grafkelders zit overal een vertinlaag. Dat is een heel dun stuclaagje op een muur, dat gemengd is met veel water. Dit wordt tegen de muur aangegooid met een handstoffer of troffel. Het water loopt dan langs de muur en trekt niet in het metselwerk. Dit is bedoeld om het vocht tegen te gaan. Boven de vertinlaag waren de muren weer aangesmeerd met een harde specie, tot onder de goten. Daar groeiden heel veel wortels en die vraten daar de specie weg, zodat de stenen los kwamen te liggen. Er waren weer andere steentjes onder geduwd, om te zorgen dat de goten weer op hun plek bleven, maar vaak waren die ook al kapot. Inmiddels hebben we dat allemaal weer hersteld. De goten en metselwerk zijn weggehaald en weer opgebouwd. We doen alles wel met kalkspecie, een historische mortel, die het dichts in de buurt komt van die oude mortels.”

“Bij de twee laatste twee rijen zit over het metselwerk overal een stuclaagje overheen. Dat was vroeger een vertinlaagje, daar kwamen we achter toen we het open haalden. Het is maar tot de grafsteen aangemeerd. Het metselwerk was verzakt en kapotgegaan. En ik denk dat ze daarom hebben ze gedacht: dan smeren we het weer als een eenheid af en geven we er weer stevigheid aan. Daarna hebben ze die twee rijen helemaal aangesmeerd. Dat is wel jammer, want het schone metselwerk toont toch net iets mooier dan een gesmeerde laag. Maar wij gaan het wel zo terugbrengen zoals wij het gevonden hebben. Dat is de manier waarop het afgesproken is voor deze restauratie. En het geeft inzicht in een stukje historie: hoe alles veranderd is.”

“Er zijn dus de grote verschillen tussen de grafkelders. Wij begonnen met restaureren bij de nummers 45-60, waarvan wij dachten dat dat de laatst gebouwde kelders zouden zijn. Maar de oudste bijzetting daar was in 1831. De nummering van de kelders is dus kennelijk pas gedaan, toen de grafkelders allemaal klaar waren. En men daarbij blijkbaar bij de laatst gebouwde kelders begonnen. De rij met nummer 1-15 is de laatst gebouwde rij grafkelders en de hoge nummers zijn de oudste grafkelders. Alhoewel, in grafkelder A1 is in 1880 de bijzetting geweest en daarbij kalkmortel gebruikt. Die kelder is dus ook één van de oudere kelders.

Ook het Rijksmonument van Voombergh (A31/32) is anders. Daar zaten twee stalen liggers in. Die waren al aardig verroest en in samenspraak met de gemeente hebben we die gestut met drie hardhouten balken, die op de grond op een tegel rusten voor de stevigheid. Wij hadden eigenlijk aan twee kanten een toog verwacht.”